
De bloei van inheems-Romeins Eersel 1e tot en met 3e eeuw na Chr
Aan de rand van het huidige Eersel (vindplaats Eersel-Kerkebogten) ligt een aanzienlijke, permanent bewoonde agrarische nederzetting. Het dorp bestaat uit zes tot acht grote, houten woonstalhuizen, omringd door graanspiekers en waterputten die diep in de zandgrond zijn uitgegraven. De bewoners zijn geen Romeinen, maar lokale boeren die diep geïntegreerd zijn in het Romeinse Rijk. Ze handelen met luxe rood aardewerk (terra sigillata), consumeren mediterrane olijfolie en wijn, en leveren op grote schaal rundvee aan de Romeinse grensforten langs de Rijn. Jonge mannen uit het dorp dienen als hulptroepen (auxilia) in het keizerlijke leger.
Leegloop en militarisering ca. 260 – 450
De Kempen raakt na Germaanse invallen rond 270 grotendeels ontvolkt. De Romeinen richten de regio in als een gemilitariseerde bufferzone, bewoond door Frankische soldatenboeren in Romeinse krijgsdienst (zoals aangetoond bij de opgravingen van Eersel-Kerkebogten). Rond 410 trekken de Romeinse legers definitief weg.
Nieuwe Frankische immigranten stichten agrarische gemeenschappen langs de Kempische beekdalen. Gewapende clanleiders en vroege missionarissen (zoals Amandus en Lambertus) leggen de basis voor de vroege middeleeuwse machtsstructuren.
De oudste schriftelijke vermelding van Eersel 712
De Frankische edelman Aengilbertus schenkt in een officiële oorkonde zijn bezittingen in Eresloch aan de missionaris Willibrord ten bate van de Abdij van Echternach. De tekst (bewaard in het Liber Aureus) vermeldt een sala (herenboerderij) en de namen van de lokale slavengezinnen: Haimo, Godefridus en Ragedo.
Onder het bewind van Lodewijk de Vrome (zoon van Karel de Grote) laat abt Irminon van Echternach rond 815 – 820 alle bezittingen registreren. Eersel wordt in deze goederenlijst vermeld als Erslo, wat bewijst dat de abdij de vroege herenboerderij nog altijd effectief in handen heeft.
Deense Vikingen onder leiding van Godfried de Noorman plunderen tussen 880 en 890 de Maasvallei en de Kempen. Lokale kloosterarchieven worden nagenoeg volledig vernietigd, waardoor Eersel in de eeuwen hierna schriftelijk tijdelijk onzichtbaar wordt.
Toxandrië onder de Reginaren en de Ansfriedingen ca. 890 – 1010
Hertog Giselbert van Lotharingen en zijn familie (de Reginaren) beheersen de regio. Na een mislukte opstand van Giselbert tegen de Duitse keizer Otto I de Grote in 939, verliest de familie haar macht in de Kempen.
Keizer Otto I stelt het huis van de Ansfriedingen aan om de rust te herstellen. Graaf Ansfried de Jonge bestuurt het gouwgraafschap Taxandrië (de Kempen). In 995 wordt hij bisschop van Utrecht en schenkt grote delen van zijn private familiebezit aan de kerk (waaronder de Abdij van Thorn).
Na de dood van bisschop Ansfried (1010) valt het verenigde gouwgraafschap Taxandrië uiteen. Er ontstaat een lappendeken van kerkelijke domeinen (Luik, Utrecht, Thorn) en nieuwe ministaatjes, zoals het Graafschap Rode en het Graafschap Loon.
Eersel wordt een Brabantse vrijheid 1203
Tijdens de Loonse Oorlog dwingt hertog Hendrik I van Brabant de graaf van Gelre om al zijn rechten op de Kempen op te geven (Traktaat van Leuven). Eersel en de omliggende dorpen worden definitief losgekoppeld van Luik en Gelre, en ingelijfd bij het Hertogdom Brabant.
Hertog Jan III van Brabant heeft dringend geld nodig voor zijn oorlogen en verkoopt stadsrechten op 17 september 1321 aan Eersel. De inwoners worden ‘vrijen’ en het dorp krijgt marktrecht en een eigen rechtbank. Eersel groeit uit tot de Hoofdbank van de oostelijke Kempen; de schepenen van Bergeijk, Duizel, Steensel, Westerhoven en Riethoven moeten voortaan in Eersel om juridisch advies vragen.



